Luister naar het hele gesprek.
De panda vraagt, jij antwoordt. Daarna hoor je jezelf en het voorbeeld.
Jij vraagt, de panda antwoordt. Daarna hoor je jezelf en het voorbeeld.
Hallo! (het antwoord is hetzelfde)
Tot ziens! (het antwoord is hetzelfde)
Dank je wel!
Graag gedaan.
Sorry.
Geeft niet.
Gefeliciteerd!
Dank je!
Goedemorgen, papa!
Goedemorgen, mama!
Goedemorgen!
Goedemorgen, juf!
Dag juf!
Welkom in Beijing!
Leuk jullie te zien!
Wat is er?
Ik heb hoofdpijn.
Hoe oud ben je?
Ik ben acht.
Hoe oud ben je?
Ik ben drie.
Uit welk land kom je?
Ik ben Chinees.
Hoe heet je?
Ik heet Baobao.
Ik ben een goed kind.
Ik wil goed mijn best doen op school.
Hallo, ik heet Lele.
Hallo, ik heet Dongdong.
Is zij dokter?
Zij is dokter.
Is zij jouw mama?
Zij is mijn mama.
Wie is hij (zij)?
Hij (zij) is Baobao.
Ik heb twee grote broers, een grote zus en een zusje.
Ik geef de boompjes water.
Wie is hij?
Hij is mijn grote broer.
Wie is dit?
Dit is mijn oma.
Leer goed pinyin.
Hoeveel mensen zijn er in jouw gezin?
We zijn met z'n drieën: papa, mama en ik.
En jij?
Opa schrijft.
Grote zus skiet.
Dit is mijn familie.
Ik heb een opa, een oma, een papa, een mama, een grote broer, een grote zus, een broertje en een zusje.
Ik hou van mama.
Wat eet je?
Ik eet een appel.
Wat eet je?
Ik eet een appel.
Wat drink je?
Ik drink melk.
Heb je honger?
Ik heb een beetje honger.
Ik eet de kleine appel, jij eet de grote appel.
Is de appel lekker?
De appel is een beetje zuur.
Wat eet je graag?
Ik eet graag wortels.
Wat is dat?
Dat is een panda.
Is dit een computer?
Dit is een computer.
Welke kleur is dit?
Het is blauw.
Wat is dit?
Dit is de neus van de olifant.
Wat is dit?
Dit is een hand.
Wat zijn dit?
Wat is dat?
Wat zijn dat?
Er zit een beestje in de aarde.
Waar ga je heen?
Ik ga naar het park.
Waar is mama?
Mama is in de keuken.
Waar is de appel?
De appel ligt bovenop.
Waar is papa?
Papa is achteraan.
Wat zit erin?
Er zit een vogeltje in.
Waar wil je morgen naartoe?
Ik wil naar het pretpark.
Heb je een vlieger?
Ik heb een vlieger.
Wat heeft hij?
Hij heeft een pet en een sjaal.
Hoeveel appels heb je?
Ik heb drie appels.
Heb je ballonnen?
Ja, ik heb drie ballonnen.
Een, twee, drie … negen
Tien!
Welke kleur vind je mooi?
Ik vind rood mooi.
Voetbal je graag?
Ik voetbal niet graag, ik zwem graag.
Hoe laat is het nu?
Het is acht uur.
Wat doet hij?
Hij drinkt water.
Ga je met de auto?
Ik ga met de auto.
Hoe laat sta je op?
Ik sta om zeven uur op.
Wanneer gaan jullie zwemmen?
We gaan 's middags zwemmen.
Ik ben klaar met Hanyu Pinyin.
Ik kan nu Hanyu Pinyin lezen.



















































